Cookies zijn belangrijk voor het goed functioneren van de website en om u een maximaal gebruiksgemak te bieden.
Wat zijn cookies?

Draadloze toestellen

Draadloze apparaten maken, net zoals gsm’s, gebruik van radiogolven om informatie (gegevens, geluid, beeld) te versturen.

Over radiogolven is bekend dat ze geabsorbeerd worden door het lichaam. Dat wil zeggen dat de elektromagnetische energie van radiogolven in het lichaam wordt omgezet in warmte. Dit noemt men het thermisch effect. Als reactie op deze opwarming brengt ons lichaam zijn interne koelmechanismen op gang, waardoor de lichaamstemperatuur constant blijft. Dit thermisch effect leidt enkel bij hoge intensiteit tot schade aan de gezondheid. Omdat draadloze toestellen moeten voldoen aan strenge normen, bestaat hiervoor geen gevaar.

De grootheid die wordt gebruikt om de warmteopname te beoordelen, is het Specifieke Absorptietempo (in het Engels ‘Specific Absorption Rate’, SAR) dat in watt per kilogram (W/kg) wordt uitgedrukt. De SAR-waarde beschrijft in feite de snelheid waarmee de energie van radiogolven wordt opgenomen in het lichaam.

Elektronische communicatie-apparatuur zoals gsm, draadloze telefoons (DECT), draadloze netwerkapparatuur, moet voldoen aan de Europese R&TTE-richtlijn 1999/5/EG (R&TTE staat voor ‘Radio and Telecommunications Terminal Equipment’). Deze richtlijn legt essentiële vereisten vast om storingen te voorkomen en de gezondheid en de veiligheid van de gebruiker en van andere personen te beschermen. De producent moet aantonen dat zijn producten voldoen aan de vereisten ter bescherming van de gezondheid, dus dat ze conform zijn met de grenswaarden vermeld in de Europese geharmoniseerde technische normen. De wetenschappelijke basis voor de bepaling van de grenswaarden zijn de aanbevelingen van de ICNIRP (International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection). Volgens de ICNIRP mag de stralingsabsorptiewaarde (SAR) niet groter zijn dan de volgende grenswaarden:

• 2 W/kg voor blootstelling van het hoofd en de romp (gemiddeld over 10 g lichaamsweefsel);
• 4 W/kg voor blootstelling van ledematen (gemiddeld over 10 g lichaamsweefsel);
• 0,08 W/kg voor blootstelling van het ganse lichaam (er wordt een lichaamsgemiddelde genomen).

In deze fiche lichten we toe welke grenswaarden van toepassing zijn voor draadloze toestellen, we vergelijken stralingsniveaus van verschillende apparaten en geven waar nodig tips hoe men de blootstelling aan radiogolven kan verlagen.   Volgende toestellen worden hier toegelicht:

- Gsm
- draadloze huistelefoons
- babyfoons
- Wifi
- Bluetooth

In deze fiche vindt u ook een overzicht  van de SAR-waarden van deze apparaten.

Mobiele telefoons

Met een mobiele telefoon kan men steeds meer doen: niet enkel mobiel bellen en berichten uitwisselen, maar ook mails lezen, surfen op internet en zelfs mobiel tv kijken. De informatie (spraak, tekst, beeld) wordt verstuurd door middel van radiogolven: het gsm-toestel ontvangt radiogolven van het basisstation en zendt ze ook uit. Deze radiogolven worden dan ook soms gsm-straling genoemd.

Mobiele telefoons hebben het grootste zendvermogen (en bijgevolg de grootste stralingsniveaus) in vergelijking met andere draadloze toestellen. Het piekvermogen van een gsm is 1-2 W. Het werkelijk vermogen ervan hangt af van de ontvangst: op plaatsen met optimale ontvangst kan het uitgezonden vermogen duizend keer minder zijn. Dit noemt men “power control” (“vermogensaanpassing”). Op het schermpje is eenvoudig af te lezen hoe goed de ontvangst is: dit wordt door middel van streepjes aangegeven (hoe meer streepjes, hoe beter de ontvangst).

De grenswaarde voor de straling van de mobiele telefoons is 2 W/kg. De grenswaarde is opgelegd om het hoofd te beschermen tegen thermische belasting. Voor elk model moet de fabrikant de SAR-waarde meten. U vindt de SAR-waarde in de gebruiksaanwijzing.

Tot nu toe is niet bewezen dat de straling van mobiele telefoons schadelijk is voor hun gebruikers. Maar op basis van de huidige wetenschappelijke kennis kunnen gezondheidsrisico’s bij langdurig en veelvuldig gebruik van de gsm niet helemaal uitgesloten worden.

Een bijzonder aandachtspunt is het gebruik van de gsm door kinderen. Kinderen en adolescenten kunnen gevoeliger zijn voor radiogolven, al zijn daar geen expliciete bewijzen voor. Door de populariteit van de gsm zal de cumulatieve blootstelling van de huidige generatie kinderen en adolescenten bij hun volwassenheid veel hoger zijn dan die van de huidige volwassenen. In het bijzonder om deze reden wordt een matig gebruik van de gsm door kinderen en adolescenten aangeraden.

Experts – onder andere van de Hoge Gezondheidsraad – raden iedereen aan om de blootstelling aan straling van een gsm te beperken: minder bellen, berichten sturen in plaats van te bellen, een oortje gebruiken en niet bellen op plaatsen met slechte ontvangst. Meer informatie over hoe men de blootstelling bij gebruik van een gsm kan verlagen vindt u in de fiche “Gsm verstandig gebruiken”.

 
Draadloze huistelefoons

DECT-NDe meeste draadloze huistelefoons werken volgens de DECT-standaard (‘Digital Enhanced Cordless Telecommunication’). Er is een draadloze verbinding tussen de handset (de draagbare telefoon) en het DECT-station, het kastje dat aangesloten wordt op het telefoonnet en waar u de handset oplaadt.

De handset zendt enkel een signaal uit tijdens het bellen, terwijl het DECT-station normaal gezien continu uitzendt. De uitgezonden signalen zijn echter heel zwak. Het piekvermogen van zowel de handset als het DECT-station bedraagt 250 mW (milliwatt). De handset heeft een gemiddeld vermogen van 10 mW. Het gemiddeld vermogen van het DECT-station is afhankelijk van het aantal gesprekken: bij één gesprek is dit 10 mW. Wanneer er 6 gesprekken tegelijk worden gevoerd, zendt het station 60 mW uit. Als er geen oproep is (stand-by), zendt het station 2,5 mW uit.

Net zoals gsm’s moeten DECT-telefoons voldoen aan de normen: de straling mag niet groter zijn dan 2 W/kg. Omdat de vermogens van zowel de handset als het DECT-station lager zijn dan van een gsm, voldoen ze ruimschoots aan deze vereiste.

Om onnodige blootstelling aan de elektromagnetische golven te vermijden, volstaat het om het DECT-station niet vlakbij de rust- of werkplaats te zetten. De sterkte van de elektromagnetische velden neemt immers snel af met de afstand (zie figuur 1 ). U kunt ook kiezen voor een gewone telefoon. Een andere optie is een model van draadloze telefoon te kopen dat geen signalen uitzendt als de handset op het station ligt (telefoons zoals Eco DECT).

Babyfoons

Babyfon-nlDe meeste babyfoons werken door middel van radiogolven. Ze bestaan uit een babytoestel en één of meerdere oudertoestellen. Het babytoestel werkt als zender, het oudertoestel dient als ontvanger. In sommige gevallen kunnen beide toestellen als zenders fungeren. De meeste systemen zenden niet voortdurend uit, maar enkel na het activeren van de zender door de stem van de baby. Draadloze babyfoons met videofunctie zenden daarentegen voortdurend een signaal uit.

In elk geval moeten babyfoons voldoen aan de normen. Op basis van de beschikbare resultaten uit wetenschappelijk onderzoek verwacht men dan ook geen risico voor de baby. Het is echter toch aan te raden om de blootstelling van het kind aan elektromagnetische velden zo veel mogelijk te beperken.

Er zijn verschillende types van babyfoons beschikbaar op de markt, met een piekvermogen tussen 10 en 500 mW. Er zijn er die werken volgens het DECT-systeem, maar er zijn er ook andere (Wireless audio, short range radio). Gezien babyfoons zo verschillend zijn, is het aan te raden om de gebruiksaanwijzing nauwlettend te volgen, onder andere door het babytoestel op voldoende afstand van het bedje (ten minste 1 m) te plaatsen en het in de stand ‘stemactivatie’ te gebruiken. 

Op de grafiek (figuur 2) ziet u het verloop van het elektrisch veld van twee verschillende types babyfoons in functie van de afstand.

Draadloos op het internet

WLAN-EEen laptop met wifi-kaart of met wifi-adapter laat toe om draadloos op het Internet te surfen. Wifi (‘Wireless Fidelity’) is een populaire benaming voor een techniek waarbij verbindingen in een computernetwerk draadloos worden gerealiseerd. Zo’n draadloos netwerk noemt men een WLAN, of Wireless Local Area Network. Er kunnen ook andere toestellen op een WLAN zijn aangesloten, zoals een PDA of een telefoon (via VoIP: ‘Voice Over Internet Protocol’). De verbinding tussen alle draadloze toestellen gebeurt via een apparaatje, het ‘access point’. Soms dient een draadloze router (modem) als access point. Toestellen die aangesloten zijn op een WLAN kunnen zowel ontvangen als uitzenden.

De zendvermogens van de toestellen en van het access point zijn heel klein en worden als veilig beschouwd. De hoeveelheid elektromagnetische energie die wordt uitgezonden hangt af van het zendvermogen en van de hoeveelheid data die wordt verstuurd. Zelfs bij het grootst mogelijke datavolume moeten deze toestellen voldoen aan de normen. Wanneer een access point geen data verzendt, wordt er toch af en toe een signaal verstuurd (het baken). Zo zendt een access point met een piekvermogen van 100 mW een bakensignaal uit met een gemiddeld vermogen van 0,5 mW. Bij de overdracht van een groot datavolume kan het vermogen oplopen tot gemiddeld 70 mW. WLAN’s zijn zo gevoelig dat ze zelfs bij een zeer laag signaalniveau kunnen werken. Zelfs bij het maximale zendvermogen en het grootst mogelijke datavolume is het elektrisch veld op een afstand van 20 cm nog minder dan 6 V/m. Op één meter afstand is dit al gedaald tot 1,5 V/m. Op de grafiek (figuur 3) kunt u zien hoe het elektrisch veld afneemt met de afstand.

Om de blootstelling te beperken kan men de volgende eenvoudige maatregelen nemen:

- Schakel uw draadloze netwerk-verbinding enkel aan als dit nodig is. Dit betreft in het bijzonder de wifi-adapter van uw laptop. Anders zoekt uw laptop continu verbinding met het netwerk. Dat leidt tot onnodige blootstelling en verkort de levensduur van de accu’s.
- Plaats het access point niet vlakbij de plaats waar u lange tijd verblijft.

Bluetooth

Bluetooth-NBluetooth dient om stemgeluid en data over korte afstanden te verzenden. Zo kunnen verschillende toestellen draadloos met elkaar worden verbonden, bijvoorbeeld een gsm met een oortje of een laptop met een printer of een muis. Bluetooth wordt ook gebruikt om patiënten te monitoren.

Bluetooth technologie wordt ingedeeld in drie vermogensklassen. De meeste Bluetooth toepassingen behoren tot klassen II en III en hebben een zeer klein vermogen: klasse II heeft een piekvermogen van 2,6 mW, klasse III van 1 mW. Klasse I is sterker (100 mW) en wordt bijvoorbeeld in sommige gsm-toestellen gebruikt om verbinding te maken met het Internet.

Het is niet nodig om voorzorgsmaatregelen te nemen bij het gebruik van Bluetooth. Vanwege het geringe stralingsniveau is het zelfs aan te raden een oortje te gebruiken om de blootstelling aan de radiogolven van het gsm-toestel te beperken.

Bluetooth apparaten kunnen ook hun stralingsniveau verminderen bij een goede ontvangst. Dit systeem, dat ‘power control’ heet, is standaard voor klasse I en optioneel voor klasse II en III.

Vergelijking van de SAR-waarden

Wanneer men wil weten hoe groot het blootstellingsniveau is, kunnen het stralingsvermogen en de elektrische veldsterkte alleen een indicatie geven. Om een correcte vergelijking te kunnen maken, heeft men de SAR-waarde nodig.

De onderstaande figuur toont het bereik waartussen de SAR-waarde kan liggen voor verschillende apparaten: laptops met Wifi-kaart, DECT-telefoons, babyfoons, gsm’s, Buetooth-adapters. Op de figuur kan u zien dat de SAR van een gsm-telefoon varieert in een groot bereik: van 0,1 W/kg tot 1,5 W/kg. De SAR-waarde van een DECT-handset is veel lager dan die van een gsm en varieert tussen 0,01 en 0,05 W/kg.

Op de grafiek worden de SAR-waarden getoond die werden gemeten in contact met het lichaam. Als een apparaat op afstand wordt gehouden is het blootstellingsniveau (de werkelijke SAR-waarde) veel lager dan aangegeven op de grafiek. Ter vergelijking wordt op de grafiek ook de Europese grenswaarde voor zendmasten  weergegeven.

Federale overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid,
Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu

Victor Hortaplein, 40 bus 10
1060 Brussel

Contact Center: +32 (0)2 524.97.97

Contactformulier

Gepubliceerd op 01/06/2011 – Pagina laatst aangepast op 01/06/2011