Mensen kunnen ziek worden, dat hebben we allemaal wel eens aan den lijve ondervonden. Iedereen weet dat ook dieren ziek kunnen worden.

Bestaat er een verband tussen deze twee vaststellingen?

Meestal niet. Eerder uitzonderlijk gebeurt het wel dat mensen via dieren besmet geraken en ziek kunnen worden. In dat geval spreken we van “zoönose”.

Wat is zoönose en hebben wij er zelf iets mee te maken?

Een zoönose is een besmettelijke ziekte die, onder natuurlijke omstandigheden, van gewervelde dieren kan overgaan op de mens. Een allergie die uitgelokt wordt door stoffen van dierlijke oorsprong is geen zoönose. Sommige plantaardige stoffen en ook chemische stoffen kunnen aanleiding geven tot allergieën. Ook zijn allergieën niet besmettelijk.

Iedereen komt wel eens in contact met dieren. Het is dus belangrijk om er meer over te weten.

Hoe geraakt de verwekker van de zoönose bij de mens?

Dat kan op twee manieren:

-         via contact met dieren die drager zijn

-         door het eten van besmette producten

Wat maakt ons ziek?

De ziekmakers leven in nauw contact met het dier. Het zijn biologische organismen van diverse pluimage waaronder verschillende virussen, bacteriën, protozoa, wormen en schimmels.

Enkele voorbeelden:

  • Vogelgriep wordt veroorzaakt door een virus dat voorkomt bij wilde vogels en pluimvee. Onlangs dook vogelgriep op in verschillende Aziatische landen. Er bestaan verschillende types. Naargelang het type kunnen er zeer ernstige ziekte-uitbraken bij pluimvee ontstaan. Als mensen in contact komen met uitwerpselen of waterdruppeltjes waarin het virus zit, kunnen ze ziek worden.
  • Een wereldverspreide bacteriële zoönose is salmonella. Deze ziekte kunnen we oplopen door besmet rauw voedsel te eten. Ze veroorzaakt ernstige maagdarmstoornissen en diarree.
  • De slaapziekte komt enkel voor in Oost-Afrika. Het is een zoönose die door protozoën veroorzaakt wordt. Protozoën zijn eencellige parasieten. Tseetseevliegen kunnen de parasiet overdragen wanneer ze mensen bijten.
  • Toxoplasma gondii is een voorbeeld van een protozo dat wereldwijd is verspreid. Deze parasiet veroorzaakt toxoplasmose. De vermeerderingscyclus van deze parasiet verloopt via verschillende diersoorten, maar enkel katten kunnen eitjes uitscheiden die na enkele dagen besmettelijk worden. Katten werden zelf besmet door het eten van besmette knaagdieren. Op hun beurt geraken andere zoogdieren, ook mensen, besmet door het opeten van besmettelijke eitjes. Varkens kunnen net als katten rechtstreeks de parasiet oplopen door besmette knaagdieren te eten. Zelfs de mens kan zich rechtstreeks besmetten door besmet vlees te eten. Bij de mens verloopt de infectie meestal goedaardig. Het blijft beperkt tot een periode van lichte koorts met een milde ontsteking van de spieren en de lymfeknopen. Door de infectie wordt immuniteit opgebouwd. Ongeboren baby’s vormen echter de risicogroep! Als de moeder kort voor of tijdens de zwangerschap besmet geraakt, komt de baby in contact met de parasiet via het bloed. Hierdoor kan de normale ontwikkeling van de baby zeer ernstig verstoord worden. Vooral in het zenuwstelsel en de ogen treden misvormingen op, wat een miskraam veroorzaakt of blindheid bij de baby. Veel jonge vrouwen hebben nog geen immuniteit opgebouwd. Daarom is het aan te raden om zich als meisje te laten inenten. Zwangere vrouwen vermijden best direct contact met katten. Het opruimen van de kattenbak kan beter overgelaten worden aan anderen. Rauw vlees eten tijdens de zwangerschap is af te raden.
  • In Europa komt de hondenlintworm vooral voor in het gebied rond de Middellandse Zee. De eitjes kunnen aan de vacht van de hond kleven. Via de handen kunnen we besmet geraken. De larve uit de eitjes kan zich inkapselen in een blaas. Na een lange tijd (meerdere jaren) kan de groei van die blaas aanleiding geven tot klachten, afhankelijk van de plaats in het lichaam.
  • Bij dieren die in slechte omstandigheden leven, ontwikkelen zich soms schimmels. Deze schimmels kunnen op de mens overgedragen worden. Vaak tasten ze de huid aan. De behandeling verloopt gewoonlijk vlot. Schimmelinfecties die verwaarloosd worden, kunnen littekens achterlaten.

De grote variatie in de geografische spreiding is eigen aan zoönose. De manier van overdacht is zeer verscheiden en niet altijd goed gekend. In de meeste gevallen kan besmetting voorkomen worden door een goede handhygiëne. Extra voorzichtigheid tegenover dieren en vooral wilde dieren is aangeraden.

24 MAART 1987. – Dierengezondheidswet

25 APRIL 1988. - Koninklijk besluit tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987

15 MAART 1995. - Koninklijk besluit tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van artikel 9bis van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987
 

Het eten van besmette producten

Productie van rauwe melk : gezondheidsvoorschriften

Welke voorschriften?

De Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van  specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong, die van toepassing is vanaf 1 januari 2006, verduidelijkt de gezondheidsvoorschriften waaraan de rauwe melk moet beantwoorden.

Rauwe melk moet afkomstig zijn van dieren:

  • die geen symptomen vertonen van een besmettelijke ziekte die via melk op de mens kan worden overgedragen;
  • die in een goede algemene gezondheidstoestand verkeren, geen ziekteverschijnselen vertonen die zouden kunnen resulteren in besmetting van de melk en, in het bijzonder, niet lijden aan aandoeningen van de voortplantingsorganen waarbij afscheiding plaatsvindt, aan darmontsteking waarbij diarree en koorts optreden of aan een zichtbare uierontsteking;
  • die geen uierlesies vertonen waardoor de melk kan worden aangetast;
  • waaraan geen verboden stoffen of producten zijn toegediend of die geen illegale behandeling hebben ondergaan;
  • waarvoor in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten de daarvoor voorgeschreven wachttijd in acht is genomen.

Wat meer bepaald brucellose betreft, geldt dat de rauwe melk afkomstig moet zijn van:

  • koeien of buffelkoeien die behoren tot een beslag dat officieel brucellosevrij of brucellosevrij is;
  • schapen of geiten die behoren tot een officieel brucellosevrij of brucellosevrij bedrijf;
  • vrouwelijke dieren van andere soorten die, wanneer het gaat om soorten die vatbaar zijn voor brucellose, behoren tot beslagen die regelmatig op deze ziekte worden gecontroleerd in het kader van een door de bevoegde autoriteit erkend controleprogramma.

Met betrekking tot tuberculose geldt dat rauwe melk afkomstig moet zijn van:

  • koeien of buffelkoeien die behoren tot een beslag dat officieel tuberculosevrij is;
  • vrouwelijke dieren van andere soorten die, wanneer het gaat om soorten die vatbaar zijn voor tuberculose, behoren tot beslagen die regelmatig op deze ziekte worden gecontroleerd in het kader van een door de bevoegde autoriteit erkend controleprogramma.
  • als op een bedrijf naast runderen ook geiten worden gehouden, moeten ook de geiten op tuberculose worden onderzocht en getest.

Dieren die besmet zijn of waarvan vermoed wordt dat zij besmet zijn met een van de hierboven vermelde ziekten, moeten op doeltreffende wijze worden geïsoleerd om negatieve gevolgen voor de melk van de andere dieren te vermijden.

Welke gevolgen voor de rauwe melk van dieren die niet aan de voorschriften niet beantwoorden?

De rauwe melk van dieren die niet voldoen aan de hierboven vermelde voorschriften mag niet voor menselijke consumptie worden gebruikt.

Welke zijn de nodige wetgevingen?

De uitbreiding van de definitie van rauwe melk tot melk geproduceerd door het geheel van de landbouwdieren betekent dat wettelijke bepalingen genomen moeten worden voor brucellose bij de paardachtigen en voor tuberculose bij paarden, schapen en geiten en bij geiten die samen met runderen worden gehouden. De beide koninklijke besluiten zullen van toepassing zijn vanaf 2007.

 

Plots opduikende ziekten

Door de klimaatsverandering en de toename van het internationaal vervoer van personen en dieren en de snelheid waarmee dit alles gebeurt, wordt het steeds waarschijnlijker dat ziekten die niet in onze streken voorkomen, plots zullen opduiken of dat oude en verdwenen ziekten opnieuw zullen verschijnen.

Dit is in het bijzonder het geval voor de zogenaamde vectorziekten, dit zijn ziekten die een vector, zoals bijvoorbeeld een insect, nodig hebben om te worden overgedragen. Deze vectoren kunnen meekomen met het internationaal vervoer. Bovendien veroorzaakt de klimaatsverandering wijzigingen in de verspreiding van vectorpopulaties of maakt ze de komst van nieuwe populaties mogelijk.

Deze plots opduikende ziekten bij dieren zijn te vrezen, en dit zowel voor de economische gevolgen ervan als voor de volksgezondheid: sommige van die ziekten hebben een zoönotisch potentieel  d.w.z  ze zijn overdraagbaar van dier op mens.

Enkele voorbeelden van ziekten die zeer waarschijnlijk zullen opduiken:

Ziekte

 

Getroffen soorten

Vector

 

Zoönotisch potentieel

Lymeziekte

Honden

Teken

Ja

Blauwtong

Schapen, runderen, geiten

Culicoïdes (knijten)

Neen

West Nile-koorts

Paardachtigen, vogels

Muggen (culex), teken

Ja

Paardenpest

Paardachtigen

Muggen, culicoïdes

Neen

Piroplasmose

 

Runderen, schapen, geiten, paardachtigen, honden

Teken

Ja

 

Infectieuze anemie bij paardachtigen

Paardachtigen

 

Muggen

Neen