GGO’s die bestemd zijn voor gebruik in menselijke en/of dierlijke voeding, betreffen ofwel levende GGO’s, zoals zaden (maïs, sojabonen,…), ofwel producten afgeleid van GGO's, zoals olie, meel,…

1) Regelgeving : werkingssfeer en doelstellingen

Het op de markt brengen van GGO’s en producten afgeleid van GGO's als voedingsmiddel en diervoeder wordt geregeld door twee verordeningen:

1.1. Verordening (EG) 1829/2003 (.PDF) inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (« GM food-feed ») inzake :
  • genetisch gemodificeerde levensmiddelen;
  • genetisch gemodificeerde diervoeders;
1.2. Verordening (EG) 1830/2003 (.PDF) betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders (« GM Traceability ») inzake :
  • de traceerbaarheid en etikettering van de genetisch gemodificeerde organismen;
  • de traceerbaarheid van de met GGO’s geproduceerde producten bestemd voor menselijke of dierlijke voeding.

Deze twee verordeningen zijn van toepassing sinds 18 april 2004 in alle lidstaten van de Europese Unie (onnodig om ze om te zetten in nationaal recht).

De producten die onder deze twee verordeningen vallen (werkingssfeer), zijn:

  • GGO’s (bijvoorbeeld GGO maïskorrels of sojabonen) bestemd voor menselijke of dierlijke voeding;
  • voedingsmiddelen en diervoeders die GGO’s bevatten of die bestaan uit dergelijke organismen. Bijvoorbeeld een pizza met GGO maïskorrels of voer voor siervogels dat genetisch gemodificeerde koolzaadkorrels bevat;
  • Voedingsmiddelen geproduceerd op basis van ingrediënten die geproduceerd zijn met GGO’s of die zulke ingrediënten bevatten (bijvoorbeeld genetisch gemodificeerde sojaolie), en diervoeders gemaakt uit GGO’s (bijvoorbeeld genetisch gemodificeerde sojakoeken).

Producten afkomstig van dieren (melk, eieren, vlees, vet, ...) die werden gevoederd met genetisch gemodificeerde diervoeders vallen daarentegen niet onder deze verordeningen en moeten bijgevolg niet geëtiketteerd worden als GGO’s.

Deze beide verordeningen bepalen de volgende regels:
  • een gecentraliseerde, uniforme en transparante Europese vergunningsprocedure voor alle aanvragen voor het op de markt brengen van zowel de GGO’s zelf als van GGO's afgeleide voedingsproducten en diervoeders (zie punt 2);
  • verplichte etikettering van GGO’s en van GGO’s afgeleide producten bestemd voor menselijke en dierlijke voeding. De van GGO's afgeleide producten moeten worden geëtiketteerd, ook al bevatten ze geen enkel spoor meer van DNA of eiwitten als gevolg van de genetische modificatie,
  • de plicht om zijn klant te informeren wanneer men een GGO of een daarvan afgeleid product verkoopt (traceerbaarheid voor alle schakels van de voedselketen). De etikettering van de producten bestemd voor de eindverbruiker vloeit dus voortaan voort uit een informatieoverdrachtssysteem waarbij alle schakels van de keten betrokken zijn;
  • de tolerantiedrempel voor traceerbaarheid en etikettering wordt vastgesteld op 0,9 %. Dit wil zeggen dat de regels inzake traceerbaarheid en etikettering niet gelden voor voedingsmiddelen en diervoeders die GGO’s of daarvan afgeleide producten bevatten in een gehalte van minder dan 0.9 %, op voorwaarde dat dit het gevolg is van onvoorziene en technisch niet te voorkomen omstandigheden (bijvoorbeeld ten gevolge van een kruisbesmetting bij de oogst, het transport, de opslag of de productie).

In toepassing van deze verordening geldt wettelijk een zerotolerantie voor de aanwezigheid van niet toegelaten GGO’s en de daarvan afgeleide producten in voeding voor mens en dier.

Wat diervoeding betreft, legt de verordening 619/2011 (.PDF) tot vaststelling van bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders wat betreft de aanwezigheid van genetisch gemodificeerd materiaal waarvoor de vergunningsprocedure hangende is of waarvan de vergunning is verstreken,  wel degelijk een « technische » tolerantie vast van 0,1% voor de aanwezigheid van niet toegelaten GGO’s en daarvan afgeleide producten. Deze technische tolerantie geldt niet voor menselijke voeding!

Een toepassingsgids met betrekking tot de GGO-regelgeving(.PDF), geschreven in samenwerking met BEMEFA (Beroepsvereniging van de mengvoederfabrikanten), FEVIA (Federatie Voedingsindustrie), COMEOS ( Belgische federatie van de handel en de diensten) en de bevoegde Belgische overheidsinstanties, behandelt op praktische en gedetailleerde wijze de verschillende maatregelen die moeten genomen worden door de professionelen uit de agrovoedingsindustrie om aan de nieuwe wetgeving inzake GGO’s te voldoen.

2) Vergunningsprocedure (EU)

De vergunning wordt afgeleverd op Europees niveau door de Europese Commissie na een positief advies vanwege de lidstaten.

De procedure in een notendop:
  • De aanvrager dient een dossier in bij een lidstaat die als tussenpersoon optreedt ("brievenbus").
  • Deze lidstaat bezorgt het dossier aan de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EAV). Deze is verantwoordelijk voor de wetenschappelijke beoordeling van de risico’s voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier (binnen een termijn van 6 maanden). Tijdens de beoordeling van het dossier door de EAV hebben de lidstaten 3 maanden tijd om wetenschappelijke opmerkingen over de verschillende delen van het dossier naar de EAV te zenden. De EAV zal met deze opmerkingen rekening houden in haar definitieve advies dat op haar website (WEB) zal worden gepubliceerd.
  • Binnen drie maanden na ontvangst van het advies van de EAV, wordt een ontwerpbesluit van de Europese Commissie (DG GEZONDHEID) ter stemming voorgelegd aan een regelgevend comité : het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders (het Standing Commitee - PAFF (WEB)). Dit laatste is samengesteld uit vertegenwoordigers van de 28 lidstaten.  Om het GGO toe te laten is een « gekwalificeerde meerderheid » van stemmen nodig (= 16 van de 28 lidstaten die minstens 65% van de Europese bevolking vertegenwoordigen moeten zich uitspreken voor het besluit voorgesteld door de Europese Commissie).
  • Als de Commissie geen gekwalificeerde meerderheid kan bekomen binnen dit comité, wordt het dossier binnen de 6 weken overgemaakt aan het beroepscomité (Appeal Committee). Hier wordt vervolgens voor een tweede keer door vertegenwoordigers van de lidstaten gestemd over het ontwerpbesluit van de Commissie. Wanneer dit beroepscomité eveneens geen gekwalificeerde meerderheid kan bijeenbrengen over het ontwerpbesluit, neemt de Europese Commissie zelf het besluit aan, zonder dat ze opnieuw de lidstaten moet raadplegen.