Pollutiebestrijding

In 1967 liep de Torrey Canyon, een grote olietanker, vast op de rotsen voor de Engelse kust waardoor 120.000 ton ruwe olie in zee terecht kwam. Plots werd duidelijk dat het toenemende transport van potentieel gevaarlijke stoffen via de zee een grote maatschappelijke bedreiging voor het mariene milieu vormt.

Om snel en collectief te kunnen reageren op een milieuramp hebben België, Nederland, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd Koninkrijk in 1969 daarom het Akkoord van Bonn opgesteld. Daarna zijn de Europese Unie en Ierland tot de overeenkomst toegetreden, waarbij de interventiezone is uitgebreid tot de Ierse Zee en de aangrenzende Noorse en Engelse wateren.


Eerste olieramp in de geschieden met de Torrey Canyon, jan-van-gent getroffen door olie © Alliance pictures & Yves Adams

Pollutiebestrijding in België

Sinds 2001 beschikt de federale overheid over een gespecialiseerde uitrusting voor de bestrijding van verontreiniging op zee, meer bepaald voor olievlekken en gevaarlijke stoffen. Zij is echter enkel geschikt voor een eerste interventie. De dienst Marien Milieu beheert het bestrijdingsmateriaal en gebruikt het in samenwerking met de hulpverleningszone 1 van de brandweer, DAB Vloot van de Vlaamse overheid en Defensie. Wie met de materialen werkt, krijgt een speciale opleiding. Ook de Civiele Veiligheid kan het materiaal, indien nodig, gebruiken.


Opkuis van olie voor de haven van Zeebrugge © DG Leefmilieu

In geval van een grote olieramp in de Belgische zeegebieden krijgt België bijstand van de andere kuststaten uit het Akkoord van Bonn. Sinds enkele jaren kan ons land ook beroep doen op schepen via het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA). Er vinden ook regelmatig (inter)nationale oefeningen plaats die ons land voorbereiden op mogelijke rampscenario’s.

Milieutoezicht op het terrein 

De dienst Marien Milieu en de Wetenschappelijke Dienst Beheerseenheid van het Mathematische Model van de Noordzee (BMM) zijn de twee bevoegde instanties die milieu-inbreuken op zee opsporen en vaststellen. Dit gebeurt voornamelijk door luchttoezicht.

BMM opereert vanuit een vliegtuig met een radarsysteem dat illegale lozingen door schepen kan detecteren en heeft een sniffer tool aan boord om schadelijke stoffen in scheepsemissies te meten. Dit laat de scheepvaartinspectie toe om gerichte controles uit te voeren in de havens. Met Defensie is er een samenwerkingsakkoord voor het gebruik van onbemande militaire vliegtuigen die inbreuken tegen de milieuwetgeving opsporen en documenteren. Ten slotte wordt er ook gebruik gemaakt van de satellietbeelden van het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap om mogelijke vervuilingen op te sporen. Het MARPOL-netwerk coördineert deze inspanningen op nationaal niveau. Dit is een netwerk van federale en Vlaamse administraties die bevoegd zijn voor de voorkoming van verontreiniging door schepen.


Luchttoezicht op olielozingen © BMM

Het luchttoezicht op zee heeft duidelijk een ontradend effect: sinds de start van het luchttoezichtprogramma in 1991 is het aantal waargenomen olievervuilingen op zee drastisch gedaald.

Controle van de milieuregelgeving

De controle van de mariene milieuregelgeving is minstens even belangrijk als de uitvaardiging ervan. De Wet Marien Milieu van 20 juli 2012 voorziet in de verplichting om in bepaalde gevallen de overheid te informeren, bijvoorbeeld wanneer een incident kan leiden tot milieuschade of wanneer men een activiteit met een mogelijk milieurisico plant. De controle gebeurt zowel proactief als actief op zee:

  • Dialoog met de burger

Een eenvoudige toelichting over procedures kan de burger al op weg helpen om de regelgeving toe te passen zonder onmiddellijke sancties. Hier wordt steeds de voorrang aan gegeven.

  • Gerichte campagnes en instructies

De rol van de bevoegde overheidsdienst neemt toe als er een reële of dreigende milieuschade is. In dat geval kan de dienst Marien Milieu gerichte campagnes organiseren of instructies geven die de burger moet volgen om milieuschade te voorkomen of te beperken.

  • Controle op zee

De ambtenaren van de dienst Marien Milieu controleren ook op zee. In samenwerking met de Scheepvaartpolitie,  de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen zijn er gerichte controles waarbij controleurs aan boord van schepen gaan. Ze gaan er na of de scheepsbemanning de administratieve en technische reglementering naleven. In eerste instantie bekijkt men of het scheepsafval goed beheerd wordt en of het afval niet in zee belandt. Tijdens de controles sensibiliseren de teams ook de scheepsbemanning over de milieuregelgeving en reiken ze hen goede praktijkvoorbeelden aan. Vastgestelde inbreuken op de mariene milieuregelgeving kunnen leiden tot vervolging, geldboetes en zelfs gevangenisstraffen. Al vormen deze laatste echter eerder uitzondering dan regel. De nadruk ligt op preventie en sensibilisering.

Paardenmarkt 

Vergeten munitie op de zandbank Paardenmarkt

Na de Eerste Wereldoorlog stapelde zich overal in Europa achtergebleven munitie op. In de filosofie van die tijd en om ongelukken aan land te voorkomen, beslisten heel wat landen om deze munitie in zee te dumpen. Zo bevindt er zich tussen Engeland en Ierland wel 1 miljoen ton obussen en granaten, ten noorden van de Waddeneilanden ligt er vermoedelijk tot wel 1,5 miljoen ton. Ook de Belgische kust heeft een dergelijke munitiestortplaats, de Paardenmarkt. Volgend de meeste schattingen bergt deze ‘banc absorbant’ op vijfhonderd meter voor de kust van Heist 35.000 ton munitie. Er wordt aangenomen dat een derde van deze munitie ‘toxische ‘strijdgassen’ bevat, zoals mosterdgas (ook wel Yperiet), Clark I en II en fosgeen.


Kaart met de locatie van de Paardenmarkt (rode vijfhoek), historische foto van de Paardenmarkt © DG Leefmilieu

De stortplaats geraakte na de dumping in nasleep van de oorlog in de vergetelheid, tot in de jaren ’70. Tijdens de voorbereidingen voor de uitbreiding van de haven van Zeebrugge botsten baggeraars op verscheidene obstakels. Duikonderzoek wees uit dat het om munitie ging. Door middel van bijkomende akoestische en magnetische metingen kon een vijfhoek worden afgebakend die de grenzen van de munitiestortplaats ‘Paardenmarkt’ aangeeft.

De site in België is atypisch vergeleken met stortlocaties in het buitenland. Enerzijds is er de geringe waterdiepte en afstand tot de kust. Anderzijds ligt de munitie begraven onder meters zand en slib. Zuurstof is hierdoor minder aanwezig, waardoor de munitie trager doorroest en de inhoud minder snel lekt. Elders in Europa, bijvoorbeeld in de Baltische Zee, ligt de munitie vaak op de zeebodem, in direct contact met de waterkolom. Wanneer de munitie dan begint te lekken, komen de polluenten rechtstreeks in het water terecht. Het zand en slib op de Paardenmarkt doet dienst als buffer voor eventuele lekken, waardoor er meer tijd is om te reageren.

Aanpak tot dusver

Het DG Leefmilieu is sinds 1995 verantwoordelijk voor het afschermen van de site en de bescherming van het lokale milieu. Zo is het is al meer dan dertig jaar verboden om binnen de aangeduide vijfhoek aan bodemberoerende activiteiten te doen. Concreet betekent dit dat er niet voor anker kan worden gegaan of gevist. Het marien ruimtelijk plan 2020-2026, opgesteld door de dienst Marien Milieu, neemt deze maatregel mee, maar voorziet tegelijk de mogelijkheid voor het uitvoeren van  onderzoeks- en opruimingsactiviteiten op de site.

Daarnaast coördineert het DG Leefmilieu, en meer specifiek de dienst Marien Milieu, de opvolging van de site via allerhande studies. Het doel van deze studies is enerzijds om informatie in te winnen over de ontwikkeling van de munitiestortplaats (ligging munitie, evolutie bedekkende sliblaag, stromingen in dat deel van de Noordzee, …). Anderzijds gaat de nodige aandacht naar de toxische stoffen in de munitie (afbraakproces, effect op milieu, meetbaarheid, …) en naar mogelijke langetermijnoplossingen, zoals berging van de munitie of afdekking van de site.

Waar staan we vandaag?

Sinds 1995 nemen duikers in opdracht van het DG Leefmilieu quasi jaarlijks stalen van de bovenste sedimentlaag op verschillende plaatsen in de vijfhoek. De labo’s van Defensie (DLD) en van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) onderzoeken deze respectievelijk op de aanwezigheid van strijdgassen en zware metalen, en op het voorkomen van springstofresten (TNT en afbraakproducten).


Monitoringscampagne met duikers © VLIZ fotogalerij Louis Meirlaen

De monitoringcampagne van 2018 toonde voor het eerst sporen van springstofresten en strijdgassen, centraal in de site, wat werd bevestigd door een tweede campagne in 2019. De gemeten waarden liggen ver onder de maximum toegelaten concentraties voor deze stoffen en vormen geen gevaar voor de volksgezondheid.

Als reactie op de detectie van deze polluenten werden de monitoringinspanningen opgeschroefd om een beter beeld te krijgen van de situatie en worden er de komende jaren verschillende bijkomende studies ingepland om een duurzame oplossing uit te werken voor de site.

Ook de partners van het DG Leefmilieu zitten niet stil. Zo startte in januari 2020 het DISARM-project, een samenwerking tussen  het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ), KBIN, de Universiteit Gent, de Koninklijke Militaire School, de Hogere Zeevaartschool en de Universiteit Antwerpen. Deze partners trachten via verschillende onderzoeken de bestaande kennishiaten aan te pakken en mogelijke beheersoplossingen te evalueren. Deze studies worden onderworpen aan een risicoanalyse om risico’s tot een minimum te beperken.

Het departement Maritieme Toegang  van de Vlaamse Overheid heeft op zijn beurt een project uitgeschreven om de piste van berging verder uit te werken. De dienst Marien Milieu brengt al deze initiatieven samen onder één strategie, met als doel een duurzame aanpak van de munitiestortplaats ‘Paardenmarkt’.